zondag 18 mei 2014

Aanvaring van de STATENGRACHT en KATRE (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 2 februari 2013 is het Nederlandse zeeschip Statengracht in de Oostzee
in aanvaring gekomen met het Maltese vrachtschip Katre. Betrokkene was op
het moment van de aanvaring kapitein van de Statengracht.
Betrokkene wordt verweten dat hij mogelijk heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972 (hierna: Colregs), voorschrift 2
Verantwoordelijkheid, voorschrift 8 Maatregelen ter vermijding van
aanvaring, voorschrift 16 Maatregelen van het schip dat moet uitwijken,
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3, zich als kapitein gedragen
zoals het een goed zeeman betaamt.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in 
zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met een aanvaring van zijn schip 
met de Katre als gevolg. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een 
verantwoordelijk kapitein betaamt, waardoor de veiligheid van de 
opvarenden, het schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht. 
Bij de zware aanvaring is grote schade aan beide schepen ontstaan. De 
Statengracht liep een groot gat in haar zijde op en had kunnen zinken. 
Gelukkig hebben zich geen persoonlijke ongevallen voorgedaan en is 
verontreiniging van het milieu uitgebleven. 
 
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen van betrokkene is een 
schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In 
de omstandigheid dat betrokkene gedurende een groot aantal jaren als 
kapitein een goede staat van dienst heeft opgebouwd en in het feit dat hij 
zijn tekortschieten ruiterlijk heeft erkend en uit het voorval kennelijk lering 
heeft getrokken, ziet het Tuchtcollege aanleiding bepalen dat de schorsing 
van de vaarbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. 

Beslissing:

Het Tuchtcollege: 
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals 
hiervoor aangegeven onder 5; 
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een 
periode van twee weken; 
- bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het 
Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het 
feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het  
Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met 
de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte 
van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het 
scheepvaartverkeer; 
- bepaalt dat de proeftijd van de voorwaardelijke schorsing ingaat op de 
dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten