vrijdag 6 december 2013

Verlaten van brug tijdens krabbend anker FLINTERBAY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 17 juni 2012 raakte het Nederlandse zeeschip Flinterbay voor de Nederlandse kust op drift door een krabbend anker. Betrokkene was stuurman van de wacht en was niet aanwezig op de brug gedurende de periode dat het schip op drift was. Betrokkene heeft nagelaten voor vervanging van de brugwacht te zorgen toen hij de brug verliet. Hij had geen wachtalarm bijstaan en hij had geen uitkijk op wacht.
Tuchtmaatregel:


Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid en
    voorschrift 5. Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als scheepsofficier. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, de omgeving en het scheepvaartverkeer, in gevaar is gebracht. De gevolgen van deze handelwijze hadden zeer ernstig kunnen zijn.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid dat niet blijkt dat betrokkene zich eerder aan dit gedrag heeft schuldig gemaakt en de ernstige gevolgen zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van vier maanden;
  • bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+5+2012.V5-Flinterbay.pdf


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen