zaterdag 16 november 2013

Gronding van ENNIO MARNIX (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken, met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was op het moment van de gronding
wachtdoend officier. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene geen
goede uitkijk gehouden en hierdoor de oost kardinale boei nabij de ondiepte
van de gronding niet opgemerkt. Voorafgaand aan de gronding en de reis
heeft betrokkene onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd waardoor
de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt was voor de
diepgang van het schip. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene als
wachtdoend officier op enig moment de brug verlaten en onbemand
achtergelaten. Betrokkene heeft als wachtdoend officier geen uitkijk
geplaatst tijdens de donkere uren en varend in kustwateren met de
aanwezigheid van veel gevaren voor de navigatie.

Betrokkene wordt verweten dat zij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 5 Uitkijk en voorschrift 2
Verantwoordelijkheid.
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning, General Requirements
(3), en part 3-1 Watch keeping at Sea, Principles to be observed in
keeping a navigational watch.
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in
haar verantwoordelijkheden als scheepsofficier, met een gronding van het
schip als gevolg. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk
officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het
schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid
dat betrokkene nog maar betrekkelijk korte tijd vaart en zij zich blijkens haar
verklaring ter zitting terdege bewust is van haar tekortschieten en haar
gebrek aan praktische kennis en vaardigheden, ziet het Tuchtcollege
aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk
voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
periode van vier weken;
• bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee weken niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere
beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich
voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op
twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die zij als
goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de
opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
• bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na
de dag van verzending van deze uitspraak;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+4+2012.V1-Ennio%20Marnix.pdf

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen