vrijdag 6 december 2013

Gronding van de EEMS CARRIER (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 15 september 2012 grondde het Nederlandse zeeschip Eems Carrier in de Vliestroom (Waddenzee). Betrokkene, kapitein van dit schip, stond op het moment van de gronding op de brug. Blijkens diens toelichting ter zitting ligt

de kern van het verwijt van de inspecteur in het feit dat betrokkene, ondanks de aanwezige betonning, de grens van de vaargeul heeft overschreden en is vastgelopen en dat betrokkene derhalve slecht moet hebben uitgekeken.
Betrokkene wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2 Verantwoordelijkheid en
    Voorschrift 5 Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:


Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met een gronding van het schip als gevolg en waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Gelet op de

omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat schadelijke gevolgen van de gronding zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. 

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van één maand;
  • bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij
    het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+6+2012.V6-Eems%20Carrier.pdf

Verlaten van brug tijdens krabbend anker FLINTERBAY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 17 juni 2012 raakte het Nederlandse zeeschip Flinterbay voor de Nederlandse kust op drift door een krabbend anker. Betrokkene was stuurman van de wacht en was niet aanwezig op de brug gedurende de periode dat het schip op drift was. Betrokkene heeft nagelaten voor vervanging van de brugwacht te zorgen toen hij de brug verliet. Hij had geen wachtalarm bijstaan en hij had geen uitkijk op wacht.
Tuchtmaatregel:


Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid en
    voorschrift 5. Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als scheepsofficier. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, de omgeving en het scheepvaartverkeer, in gevaar is gebracht. De gevolgen van deze handelwijze hadden zeer ernstig kunnen zijn.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid dat niet blijkt dat betrokkene zich eerder aan dit gedrag heeft schuldig gemaakt en de ernstige gevolgen zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van vier maanden;
  • bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+5+2012.V5-Flinterbay.pdf


zaterdag 16 november 2013

Gronding van de VRIESENDIEP (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 18 december 2012 omstreeks 01:00 uur lt grondde het Nederlandse
zeeschip Vriesendiep in Finse wateren. Op dat moment liep betrokkene,
kapitein van dit schip, de brugwacht samen met een loods en fungeerde hij
als roerganger.
De reisvoorbereiding bestond hoofdzakelijk uit een opsomming van
waypoints zonder rekening te houden met de richtlijnen en aanbevelingen
zoals die door de IMO zijn vastgelegd.

Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid;
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
• SOLAS Chapter V, Safety of navigation, Regulation 34 Safe navigation
and avoidance of dangerous situations;
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn
verantwoordelijkheden als kapitein. Ten aanzien van het overnemen van het
roer is het verband met de gronding onvoldoende duidelijk geworden. Door
de stuurfout is de veiligheid van het schip met haar lading en de omgeving in
gevaar gebracht.
Bij de behandeling is aannemelijk geworden dat betrokkene zich de gronding
zeer heeft aangetrokken en dat deze voor betrokkene persoonlijk reeds
gedurende langere tijd ernstige gevolgen heeft gehad.
In de hiervoor aangeduide aard en ernst van de gebleken gedragingen en de
juistbedoelde persoonlijke omstandigheden vindt het Tuchtcollege aanleiding
om een tuchtrechtelijke maatregel achterwege te laten.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond;
• legt betrokkene geen tuchtrechtelijke maatregel op.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+4+2013.V1-Vriesendiep.pdf

Gronding van de GEERVLIET (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 6 maart 2012 grondde het motorschip Geervliet omstreeks 23:00 uur
lokale tijd op het Griekse eiland Nisos Polyaigos. Ten tijde van de gronding
liep de kapitein de brugwacht. Voorafgaand en ten tijde van de gronding was
er geen effectieve uitkijk op de brug aanwezig.
Betrokkene heeft, aldus verzoeker, gehandeld in strijd met de Voorschriften
2 en 5 van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming
van aanvaringen op zee, 1972, met het bepaalde in STCW Section A-VIII/2,
Part 3.1 (Watchkeeping at Sea) Principles to be Observed in Keeping a Navigational Watch en met artikel 4 van de Zeevaartbemanningswet.

Tuchtmaatregel:

Het niet houden van een effectieve uitkijk in de nabijheid van eilanden met
als gevolg een gronding moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk
op de goede zeemanschap. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een
bekwaam kapitein betaamt, waardoor de opvarenden, het schip en de
omgeving in gevaar zijn gebracht. Een schorsing van de vaarbevoegdheid van
na te noemen duur is hier gepast en geboden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- acht het tegen betrokkene gerezen bezwaar, te weten het niet houden
van een effectieve uitkijk, gedurende zijn wacht met als gevolg een
gronding, gegrond;
- legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de
periode van twee maanden;
- bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag
zes weken na verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+3+2012.V4-Geervliet.pdf

Gronding van ENNIO MARNIX [2] (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was de kapitein van m.s. Ennio
Marnix.
Voorafgaand aan de gronding en de reis heeft de kapitein
onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd of laten controleren,
waardoor de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt
was voor de diepgang van het schip.
Betrokkene heeft als kapitein geen uitkijk geplaatst tijdens de donkere
uren en varend in kustwateren met de aanwezigheid van veel gevaren
voor de navigatie.
Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met
de volgende voorschriften en bepalingen.

- Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972: Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid

- STCW Section A-VIII/2
Part 2- Voyage planning, General requirements (3).
Part 3-1 Watchkeeping at sea) Principles to be observed in keeping a
navigational watch.

- SOLAS Chapter V regulation 34: Safe navigation and avoidance of
dangerous situations


- Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig tekort is
geschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met gronding
van het schip als gevolg.
Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een bekwaam kapitein betaamt,
waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, met haar lading
en de omgeving in gevaar is gebracht.

Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Het niet
plaatsen van een de uitkijk is in de schorsing verwerkt maar zou op
zich zelve niet tot een schorsing hebben geleid.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 4.
- legt betrokkene een schorsing op voor een periode van vier weken.
- bepaalt dat de schorsing ingaat op 3 april 2013.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+2+2012.V1A-Ennio%20Marnix.pdf

Klacht over sleepverbinding sleepboot TEMPEST (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Klacht:

Klager beklaagt zich over het optreden van betrokkene als kapitein van de
sleepboot Tempest bij het vastmaken van het op 12 november 2010 ten
westen van IJmuiden op de Noordzee stuurloos en op drift geraakte
koopvaardijschip Western.
Kort en zakelijk weergegeven omvat het klaagschrift (gedateerd 16 mei
2011) van klager, destijds hoofdwerktuigkundige aan boord van de
sleepboot Tempest, het volgende.
2.1 Klager verwijt betrokkene dat hij bij het uitvaren van de haven van
IJmuiden behoorlijk zeeziek was.
2.2 Klager verwijt betrokkene een sleepverbinding met de Western te hebben
gemaakt met behulp van een keesje in plaats van gebruik te maken van het
aan boord aanwezige lijnwerptoestel terwijl hij, klager, de betrokkene daarop
gewezen had. Door te kiezen voor het vanaf het achterdek gooien van het
keesje aan boord van de Western moest de Tempest volgens klager met
gevaar voor aanvaring de Western tot heel dicht bij naderen.
2.3 Op de door klager gemaakte video-opnamen zou volgens hem te zien
zijn dat op het achterdek staande bemanningsleden van de Tempest
geregeld in het overkomende zeewater geheel kopje-onder zijn gegaan.
2.4 Klager verwijst in het klaagschrift naar het niet vastgehaakt zijn van
bemanningsleden op het achterdek en naar surviving suits.
2.5 Tenslotte verwijt klager betrokkene dat de kettingen waarmee de
sleepdraad was vastgezet tijdens het slepen zijn gebroken en dat het gebruik
van dergelijke kettingen een zeer ongebruikelijke manier van handelen is.
Samengevat stelt klager in zijn inleidend klaagschrift dat betrokkene: ‘Door
ondeskundigheid, vermoedelijk door een groot gebrek aan ervaring op
sleep/bergingsvaart, het leven van opvarenden als ook het eigen schip de
Tempest, alsook de veiligheid van het te bergen, driftende schip, nodeloos
ernstig in gevaar heeft gebracht.’.

Tuchtmaatregel:

De tegen betrokkene ingediende klacht is ongegrond. Van het opleggen van
een tuchtmaatregel kan geen sprake zijn.

Beslissing:

Het Tuchtcollege verklaart de ingediende klacht ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+1+2011.K1-Tempest.pdf

Gronding van de EEMS TRANSPORTER (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 3 april 2011 omstreeks 04.50 uur (boordtijd) grondde de Eems
Transporter in Griekse wateren. Betrokkene was op dit moment wachtdoend
kapitein. Voorafgaande aan de gronding was betrokkene in slaap gevallen.
Betrokkene had gedurende de wacht geen wachtalarm geactiveerd.
Betrokkene had geen uitkijk geplaatst op de brug tijdens de donkere uren.
Betrokkene wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de
voorschriften 2 en 5 van het verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter
voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, artikel 4 van de
Zeevaartbemanningswet en de STCW regelgeving, Section A. VIII/2, part
3.1(Watchkeeping at Sea). Principles to be observed in navigational watch.

Tuchtmaatregel:

Het in slaap vallen in nabijheid van de kust met als gevolg een gronding,
alsmede het uitschakelen van correctiemogelijkheden als het wachtalarm en
de uitkijk moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op de goede
zeemanschap. Een schorsing van een substantiële duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid
van betrokkene voor een periode van 2 maanden geschorst te worden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
− acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten , het in slaap
vallen tijdens zijn wacht, het niet plaatsen van een uitkijk, het niet
activeren van het wachtalarm met als gevolg een stranding, gegrond;
− legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van twee maanden;
− bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep in gaat op de dag
zes weken na de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+6+2012.V2.Eems%20Transporter.pdf

Gronding van de FLINTERSPIRIT (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 19 maart 2012 omstreeks 23.43 uur (scheepstijd) grondde de Flinterspirit
op het eiland Flodday Mor, North Uist, tijdens de wacht van betrokkene,
kapitein van de Flinterspirit. Verzoeker heeft verzocht om een
tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene op grond van de volgende
verwijten:
• De kapitein had voorafgaand aan de gronding, nagelaten de koers te
wijzigen conform de voyageplanning, de brug verlaten en bevond zich
tijdens de gronding in zijn hut.
• De kapitein had die betreffende avond nagelaten om een uitkijk te
plaatsen op de brug tijdens donkere uren en had het wachtalarm nier
geactiveerd.
• De kapitein bleek onvoldoende in staat om de leiding te nemen nadat
de gronding had plaatsgevonden, hetgeen blijkt uit de volgende
omstandigheden:
o zonder eerst de situatie in kaart te brengen trachtte hij het
schip los te varen;
o hij instrueerde de 2e stuurman om de autoriteiten te melden dat
er niks aan de hand was;
o de kapiteins verklaring over vermoeidheid en medicijngebruik.
• De ochtend na de gronding heeft de kapitein zelfstandig de brugwacht
gelopen terwijl hij onder invloed was van alcohol.

Betrokkene heeft, aldus verzoeker, gehandeld in strijd met de voorschriften 2
en 5 van het verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972, de STCW, Section A. VIII/2, part 3.1(Watchkeeping
at Sea). Principles to be observed in keeping a navigational watch, MSC
(Martine Safety Commitee), Resolutie 282(86) “Adoption of Amendments to
the International Convention for the Safety of Life at Sea, 1974, as amended,
Chapter V reg 19 en artikel 4 van de Zeevaartbemanningswet.

Tuchtmaatregel:

De brug verlaten en in slaap vallen gedurende de nachtelijke uren met als
gevolg een gronding is in strijd met de goede zeemanschap. Het niet
plaatsen van een uitkijk en het niet activeren van het wachtalarm is al
evenzeer in strijd met de goede zeemanschap.
Voor het trachten losvaren van een gegrond schip zonder op de hoogte te
zijn van de actuele situatie en de autoriteiten trachten om de tuin te leiden
geldt hetzelfde. Een schorsing van een aanzienlijke duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid
voor de duur van zes maanden te worden geschorst.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
− acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten het gronden
door na te laten koers te wijzigen, het niet plaatsen van een uitkijk
gedurende de donkere uren en het niet activeren van het wachtalarm,
het trachten los te varen zonder eerst de situatie in kaart te brengen
en het instrueren van de tweede stuurman om de autoriteiten te
melden dat er niets aan de hand is was, gegrond.
− legt de betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van zes maanden.
− bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag
zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+5+2012.V3.Flinterspirit.pdf

Gronding van ENNIO MARNIX (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken, met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was op het moment van de gronding
wachtdoend officier. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene geen
goede uitkijk gehouden en hierdoor de oost kardinale boei nabij de ondiepte
van de gronding niet opgemerkt. Voorafgaand aan de gronding en de reis
heeft betrokkene onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd waardoor
de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt was voor de
diepgang van het schip. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene als
wachtdoend officier op enig moment de brug verlaten en onbemand
achtergelaten. Betrokkene heeft als wachtdoend officier geen uitkijk
geplaatst tijdens de donkere uren en varend in kustwateren met de
aanwezigheid van veel gevaren voor de navigatie.

Betrokkene wordt verweten dat zij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 5 Uitkijk en voorschrift 2
Verantwoordelijkheid.
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning, General Requirements
(3), en part 3-1 Watch keeping at Sea, Principles to be observed in
keeping a navigational watch.
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in
haar verantwoordelijkheden als scheepsofficier, met een gronding van het
schip als gevolg. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk
officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het
schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid
dat betrokkene nog maar betrekkelijk korte tijd vaart en zij zich blijkens haar
verklaring ter zitting terdege bewust is van haar tekortschieten en haar
gebrek aan praktische kennis en vaardigheden, ziet het Tuchtcollege
aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk
voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
periode van vier weken;
• bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee weken niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere
beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich
voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op
twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die zij als
goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de
opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
• bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na
de dag van verzending van deze uitspraak;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+4+2012.V1-Ennio%20Marnix.pdf

Aanvaring tussen VD 77 en MSC ASLI (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, schipper van het Nederlandse vissersschip Cornelia
Johannes VD 77. Aan het verzoek liggen de volgende door de Minister gestelde feiten
ten grondslag.

-  Op woensdag 9 februari 2011, omstreeks 05:25 uur vond een aanvaring
plaats op de Noordzee tussen de VD 77 en het containerschip MSC Asli.
Voorafgaand en op het moment van de aanvaring werd de brugwacht op de
VD 77 gelopen door een, voor het zelfstandig wachtlopen op de brug,
onbevoegd bemanningslid te weten, de heer Tomasz Andrzej.

Betrokkene wordt verweten dat hij als kapitein een reis heeft ondernomen zonder
zorg te dragen dat het schip behoorlijk is bemand met voor zijn taak berekend
personeel, zoals verplicht gesteld onder artikel 4, lid 1, onder aanhef en onder k, van
de Schepenwet.

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft betrokkene door een onbevoegde als
stuurman te accepteren en wacht te laten lopen gehandeld in strijd met de goede
zeemanschap. Door een onbevoegde te laten varen kunnen de opvarenden, het
schip, de lading, het milieu en het scheepvaartverkeer in gevaar wordt gebracht.
Het Tuchtcollege acht een substantiële boete gepast en geboden.
Nu betrokkene blijkens de mededeling van de Inspecteur onder meer in verband met
overtreding van artikel 4 lid 1, aanhef en onder k van de Schepenwet nog vervolgd
wordt door het Openbaar Ministerie, zal het Tuchtcollege de straf geheel
voorwaardelijk opleggen. Het Tuchtcollege zal de proeftijd bepalen op twee jaar.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart het tegen betrokkene gerezen bezwaar gegrond;
-  legt betrokkene een geldboete op van 500,= euro;
-  bepaalt dat deze tuchtmaatregel geheel niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij
betrokkene zich voor het einde van de proeftijd gedraagt in strijd met de
zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van
de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt de proeftijd op twee jaar.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+3+2011.V2-VD77.pdf

Gronding van de DONGEBORG (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, kapitein van het Nederlandse schip de Dongeborg.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag.

-  De Dongeborg liep ’s avonds op 3 januari 2011 aan de grond in Deense
wateren. Als gevolg van de gronding ontstond aanzienlijk schade aan het
onderwaterschip. Ten tijde van de gronding was de kapitein verantwoordelijk
voor de navigatie maar niet aanwezig op de brug, was het donker buiten en
maakte hij geen gebruik van een uitkijk.

Betrokkene wordt verweten dat hij:
een onzorgvuldige navigatie voerde, zonder het houden van uitkijk, zonder een
geactiveerd wachtalarm en zonder geplaatste uitkijk tijdens donkere uren.
Daarmee voorbijgaand aan de gebruiken van goed zeemanschap en in strijd met de
Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee en de STCW regelgeving
“Standards Regarding Watchkeeping” omtrent het uitvoeren van de wacht op de brug

en het plaatsen van een uitkijk.”

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege is, gelet op de uiterst onzorgvuldige navigatie
van betrokkene een onvoorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid van
substantiële, na te melden duur geboden. Het Tuchtcollege heeft bij het opleggen
van de tuchtmaatregel geen rekening gehouden met de omstandigheid dat
betrokkene op 3 januari 2011 tijdens zijn wacht noodzakelijke medische assistentie
aan de hoofdwerktuigkundige heeft verleend. Eerstens voerde de betrokkene ook
 voor het in elkaar zakken van de hoofdwerktuigkundige al een onzorgvuldige
navigatie en tweedens had betrokkene nooit het schip aan zichzelf mogen overlaten,
maar had hij maatregelen moeten nemen om varen zonder verantwoordelijke

wachtofficier te voorkomen.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene gerezen bezwaren gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van zes maanden;
-  bepaalt dat de schorsing van de vaarbevoegdheid ingaat op de dag zes weken

na de dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+2+2011.V1-Dongeborg.pdf

Overbelading van baggerschip IJSSELDELTA (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Verzoeker heeft verzocht om een tuchtrechtelijke behandeling tegen
betrokkene vanwege het als kapitein dieper afladen dan toegestaan van het
baggerschip IJsseldelta gedurende 5 reizen op 23 juni 2010. Verzoeker
verwijt betrokkene dat hij in strijd heeft gehandeld met de Schepenwet,
hoofdstuk 2, artikel 4.1.i en artikel 9.1.d en het Schepenbesluit,n hoofdstuk
5, artikel 60.1, welke artikelen de kapitein verplichten om te zorgen dat het

schip geen geringer vrijboord heeft dan de afgegeven certificaten toestaan.

Tuchtmaatregel:

De bezwaren tegen betrokkene zijn ongegrond; van het opleggen van een
tuchtmaatregel kan geen sprake zijn.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+1+2010.V4-B.-IJsseldelta.pdf

Gronding van de FLINTERFOREST (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Het verzoek betreft betrokkene als kapitein van het Nederlandse zeeschip
Flinterforest. Op 13 augustus 2010 omstreeks 04.55 uur grondde dit schip
nabij Helsingborg, Zweden. Verzoeker heeft verzocht om een
tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene op grond van de volgende
verwijten, onzorgvuldige navigatie, zonder het houden van een goede uitkijk,
zonder een geactiveerd wachtalarm en zonder geplaatste uitkijk.
De kapitein heeft in strijd gehandeld met de Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee en de STCW regelgeving “ Standards regarding
Watchkeeping” omtrent het uitvoeren van de wacht op de brug en het

plaatsen van een uitkijk.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege acht aannemelijk dat betrokkene op zijn alcoholgebruik is
afgerekend door de Zweedse autoriteiten. Het zal hiermee in de te nemen
tuchtmaatregel rekening houden.

In slaap vallen in druk vaarwater na het wegzenden van een uitkijk moet
aangemerkt worden als een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Een
schorsing van de vaarbevoegdheid een substantiële duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid

van betrokkene voor zes weken geschorst te worden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten het niet houden
van een goede uitkijk en het niet plaatsen van een uitkijk gegrond;
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van zes weken;
- bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag

zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+6+2010.V8-S.-Flinterforest.pdf

Onder invloed varen aan boord van de EEMS SKY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Aanvankelijk werd aan het verzoek ten grondslag gelegd dat betrokkene als kapitein
van het Nederlandse zeeschip Eems Sky onder invloed van alcohol de brug had
verlaten tijdens de vaart op de Westerschelde op 21 februari 2010; betrokkene werd
varen onder invloed van alcohol verweten.

Na wijziging van het verzoek wordt betrokkene verweten niet beschikbaar te zijn
geweest om zijn functie naar behoren uit te oefenen als gevolg van overmatig
alcoholgebruik.

Aldus handelde hij in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoorde te
nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading en het milieu of het
scheepvaartverkeer, zoals bepaald in artikel 55a van de Zeevaartbemanningswet.

 Tevens handelde hij aldus in strijd met de artikelen 4 en 28 van de
Zeevaartbemanningswet.

Ook handelde hij in strijd met STCW-Section AVIII/2 part 3-1 “Navigation with pilot
on board”.

Verzoeker heeft geen wijziging van de datum van de verweten gedraging gevraagd
zodat het Tuchtcollege begrijpt dat ook na wijziging van het verzoekschrift de datum
van de verweten gedraging 21 februari 2010 is.

Het Tuchtcollege acht de wijziging van het verzoekschrift, tegen welke wijziging ook
niet is geprotesteerd, toelaatbaar nu het gaat om het gebeurde op 21 februari 2010
en de kern van het verwijt gelijk blijft, te weten overmatig alcoholgebruik, waardoor
de functie van betrokkene niet naar behoren kon worden uitgeoefend. Ook na de

wijziging gaat het om een zelfde feitencomplex.

Tuchtmaatregel:

 Gelet op het excessieve alcoholgebruik, dat leidde tot plichtsverzuim, is een forse
schorsing van de vaarbevoegdheid gepast en geboden.

Nu de kapitein, vanwege zijn dronkenschap, besloot niet zelf te varen maar om zijn
wacht over te dragen, zal het Tuchtcollege bepalen dat een kwart van de schorsing
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing
anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich binnen een proeftijd, te
stellen op twee jaar opnieuw zal gedragen in strijd met de zorg die hij als een goed
zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de

lading, het milieu of het scheepvaartverkeer.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een periode
van twaalf maanden;
-  bepaalt dat deze schorsing voor een gedeelte van drie maanden niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing
anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde
van een proeftijd, welke het Tuchtcollege hier bepaalt op twee jaar, zich weer
heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort
te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of
het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt dat de schorsing en de proeftijd ingaan op de dag zes weken na de

dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+5+2010.V3-K.-Eems%20Sky%20Uitspraak.pdf

Stranding van het vissersschip ZK 65 (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, schipper van het Nederlandse vissersschipschip ZK
65, Hercules PBBC. Aan het verzoek liggen de volgende door de Minister gestelde
feiten ten grondslag.

-  De Hercules ZK 65 strandde op de zuidpier van IJmuiden op maandag 21 juni
omstreeks 03:10 UTC waarbij het schip schade aan de romp opliep en
gedeeltelijk volstroomde met water.
-  Na onderzoek op 21-06-2010 is vastgesteld dat de schipper geen monsterrol
aan boord bijhield of had.
-  Bij dit zelfde onderzoek is waargenomen dat de schipper reizen gemaakt had,
langer dan 18 uur en dat de schipper niet kon aantonen dat de daarvoor
benodigde bemanning van 3 personen aan boord waren.
-  Na aanvullend onderzoek tijdens een reguliere inspectie op 27-08-2010 is
gebleken dat dezelfde schipper wederom geen bemanningslijst bijhoudt en

bemanning aan boord heeft die geen vaarbevoegdheid kon overhandigen.

 Tegen betrokkene zijn volgens de Minister de volgende bezwaren gerezen.

Ik verwijt de aangeklaagde, kort en zakelijk samengevat, dat hij/zij*:
1)  In strijd heeft gehandeld met het houden van een goede uitkijk in
overeenstemming met de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
2)  Het niet bijhouden van de monsterrol conform het Besluit
Zeevisvaartbemanning art. 50 zoals vastgesteld op 21-06-2010.

3)  Gedurende een onbekend aantal reizen onderbemand heeft gevaren, (...)

Tuchtmaatregel:

 Het Tuchtcollege acht ter zake van het eerste en tweede bezwaar een schorsing van
de vaarbevoegdheid van na te melden duur gepast en geboden.

Bezwaar 1 betreft een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Betrokkene heeft
zijn schip door niet goed uit te kijken ernstig in gevaar gebracht, welke gevaar ook
werkelijkheid is geworden. Aldus heeft hij ook de opvarenden, de lading en het
scheepvaartverkeer ernstig in gevaar gebracht. Dat een en ander nog relatief goed is
afgelopen, doet aan de gevaarzetting niet af.

Bezwaar 2 betreft het niet bijhouden van voorgeschreven monsterrol waardoor niet
gecontroleerd kan worden of al dan niet onderbemand wordt gevaren. Onderbemand
varen vormt een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Het onmogelijk maken
om dit te controleren is hierom eveneens een ernstige inbreuk op de goede

zeemanschap.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene onder 1 en 2 aangevoerde bezwaren gegrond
en het onder 3 aangevoerde bezwaar ongegrond;
-  Legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van twee maanden;
-  bepaalt dat deze schorsing voor een deel van één maand niet ten uitvoer zal
worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal
bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een
proeftijd, welke het Tuchtcollege hier bepaalt op twee jaar, zich weer heeft
gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te
nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of
het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt dat de schorsing en de proeftijd ingaan op de dag zes weken na de

dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+4+2010.V7-S.-Hercules%20Uitspraak.pdf

Dronkenschap tijdens het varen aan boord van de LITTLE JANE (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Verzoeker heeft verzocht om een tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene.
Aan het verzoek liggen de volgende, door de Minister gestelde feiten ten grondslag.
Dronkenschap terwijl deelnemend aan het verkeer op 6 januari 2010 omstreeks
18.30 uur op de rivier de Elbe te Duitsland op het Nederlandse zeeschip Little Jane,
roepletters PHMV.

Tegen betrokkene is door de Minister het volgende bezwaar aangevoerd.
Ik verwijt de aangeklaagde kort en zakelijk samengevat dat hij heeft gehandeld in

strijd met regelgeving en de gebruiken van goede zeemanschap.

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft betrokkene door dronken deel te nemen
aan het scheepvaartverkeer op de Elbe op 6 januari 2010 omstreeks 18.30 uur
gehandeld in strijd met de goede zeemanschap. Hij heeft zijn schip, de lading, het
milieu en het scheepvaartverkeer ernstig in gevaar gebracht. Dat zich geen ramp
heeft voltrokken is te danken aan de herhaaldelijke en indringende waarschuwingen
van de loods. Een onvoorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid van

langdurige, na te melden duur is in dit geval gepast en geboden.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege,
-  verklaart het tegen betrokkene aangevoerde bezwaar gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van één jaar;
-  bepaalt dat de periode van schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de

dag zes weken na de dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+3+2010.V1-B.-Little%20Jane%20Uitspraak.pdf

Uitschakelen van bilge alarm op het m.s. SINGELDIEP (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek door de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, hoofdwerktuigkundige van het Nederlandse
zeeschip Singeldiep. Aan het verzoek ligt het volgende verwijt ten grondslag: het
uitschakelen van het bilge alarm tussen vermoedelijk 28-02 en 03-03-2010
waardoor tijdens de reis de boegschroefruimte zich vulde zonder dat alarm gegeven
werd.

Tegen betrokkene is door verzoeker het bezwaar aangevoerd dat hij in strijd met de
geldende regelgeving en goed zeemanschap heeft gehandeld door het bilge alarm te

overbruggen zonder verdere maatregelen te nemen.

Beslissing:
Ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+2+2010.V2-L.-Singeldiep%20Uitspraak.pdf


Dodelijk ongeval tijdens afmeren in sluis FLINTER ALAND (Onderzoeksraad voor Veiligheid)

Persbericht:

Rapport ‘Dodelijk slachtoffer bij afmeren in sluis’ gepubliceerd

De Onderzoeksraad constateert dat de rederij de risico’s van het werken met trossen niet voldoende onderkend heeft. In het veiligheidsmanagementsysteem en de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) ontbraken de juiste procedures voor het werken met trossen. Ook waren de gevarenzones aan boord van de Flinter Aland niet beschreven, en had de rederij de bemanningen niet geïnstrueerd over het juiste gebruik van trossen bij het afmeren.

Uit het onderzoek is verder gebleken dat de procedures ten aanzien van de te voeren communicatie aan boord niet volledig werden nageleefd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de bemanning op het voorschip de bandrem van de lier te vroeg aandraaide. De Onderzoeksraad constateert bovendien dat de Arbobladen, die uitgegeven zijn door werkgevers (de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders, KNVR, en werknemers (de vakbond Nautilus International) nog niet zijn aangepast aan  nieuwe inzichten van de gevarenzones van trossen.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/1476/dodelijk-slachtoffer-bij-afmeren-in-sluis-9-september-2012/publicatie/1503/rapport-dodelijk-slachtoffer-bij-afmeren-in-sluis-gepubliceerd#fasen

Dodelijk ongeval tijdens noodankeren op PLANET V (Onderzoeksraad voor Veiligheid)

Persbericht:

Noodstroomvoorziening moet in nauw vaarwater paraat zijn

Den Haag, 12 maart 2013

Schepen die in een nauw vaarwater manoeuvreren, dienen het back-up systeem voor stroomvoorziening paraat te hebben. Alleen dan kan het schip tijdens een uitval van de hoofdstroomvoorziening de bestuurbaarheid behouden. Dat staat in het rapport ‘dodelijk ongeval aan boord van de Planet V tijdens noodankeren’, dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vandaag heeft gepubliceerd.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:

Aanvaring en omslaan van sleepboot FAIRPLAY 22 (Onderzoeksraad voor Veiligheid)

Verkort persbericht:

Hoge snelheden kunnen een risico vormen voor sleepboten bij het tot stand brengen van sleepverbindingen. Dat blijkt uit het rapport dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vandaag heeft gepubliceerd naar aanleiding van het kapseizen van de sleepboot Fairplay 22 in november 2010. Bij dit ongeluk zijn twee bemanningsleden om het leven gekomen. De Fairplay 22 kwam op de Nieuwe Waterweg in aanvaring met een Roll-on Roll-off passagiersschip en is gekapseisd.  De relatief hoge snelheid waarmee op dat moment werd gevaren, heeft een cruciale rol gespeeld bij het ongeval. 

Het onderzoek naar het kapseizen van de Fairplay 22 toont aan dat een hoge snelheid (in vaktermen ‘snelheid door het water’) tijdens het tot stand brengen van sleepverbindingen met zeeschepen risico’s met zich brengt voor sleepboten. Hoe hoger de snelheid, hoe sterker de stromingspatronen van het water tussen en rond de schepen. Dit vergroot het risico op aanvaringen. Bovendien hebben de motoren van sleepboten meer restvermogen beschikbaar als er tijdens het tot stand brengen van de sleepverbinding langzamer wordt gevaren. Dit vergroot de mogelijkheden om uit een benarde situatie weg te komen. Het maken van een sleepverbinding is een manoeuvre waarbij de loods of kapitein van zeeschip en de kapitein van de sleepboot nauw samenwerken en goede afspraken moeten maken.


Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/954/aanvaring-en-kapseizen-sleepboot-nieuwe-waterweg-te-hoek-van-holland-11-november-2010/fase/1158/snelheid-speelde-een-cruciale-rol-bij-kapseizen-sleepboot#fasen

Omgeslagen schelpenzuiger FRISIA (Onderzoeksraad voor Veiligheid)

Verkort persbericht:

De reder van schelpenzuiger “Frisia” heeft nagelaten op 14 december 2010 voor een zeewaardig schip te zorgen en legde wet- en regelgeving naast zich neer. De schipper van de Frisia heeft dit geaccepteerd en toonde daarmee geen goed zeemanschap. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de Inspectie Verkeer en Waterstaat lieten de rederij te veel haar eigen gang gaan. Dit alles blijkt uit het rapport ‘Kapseizen schelpenzuiger Frisia (HA38), ten noorden van Terschelling’, dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vandaag heeft gepubliceerd. Bij het ongeval kwamen de drie bemanningsleden om het leven.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/969/omgeslagen-schelpenvisser-voor-kust-van-terschelling-14-december-2010/fase/1155/onderzoek-dodelijk-ongeval-met-schelpenvisser-rederij-zorgde-niet-voor-een-zeewaardig-schip#fasen 

Ongeval met luikenwagen aan boord van ARKLOW SKY (Onderzoeksraad voor Veiligheid)

Samenvatting:

 Op 21 september 2010 heeft aan boord van het Nederlandse motorvrachtschip (ms)
Arklow Sky een ernstig ongeval met de luikenwagen plaatsgevonden. Het schip lag ten
tijde van het voorval afgemeerd in de haven van Bilbao, Spanje. Tijdens het sluiten van
het ruim, na het lossen van de lading, is een luik uit de luikenwagen in het ruim gevallen.
Als gevolg van de impact van het vallende luik is de luikenwagen aan stuurboordzijde
 van zijn rails gelopen en gedeeltelijk in het gangboord van het schip terechtgekomen.
De eerste stuurman, die de luikenwagen alleen bediende, is hierdoor van het
bedieningsplatform op de luikenwagen, zo’n acht meter naar beneden in het ruim
gevallen. Als gevolg van deze val is hij zwaargewond geraakt en in kritieke toestand in
het ziekenhuis opgenomen. Na ongeveer vier weken is hij uit een coma ontwaakt en aan
het opgelopen ernstig rugletsel geopereerd. Hierop is de stuurman naar zijn thuisland
vervoerd alwaar hij is opgenomen in een revalidatiekliniek.

Geconcludeerd wordt dat de rederij de gevaren van het werken met een luikenwagen niet
voldoende heeft beheerst. Ondanks het grote aantal bewegingen en de ernstige gevolgen
die ongevallen met luikenwagens hebben, vermeldde de Risico Inventarisatie en
Evaluatie slechts dat de gevaren van het werken met luikenwagens “gemonitord”
moesten worden.

De voormalige Raad voor de Scheepvaart, tot 1 januari 2010 belast met het onderzoek
van ongevallen in de zeevaart, heeft meerdere van deze ongevallen onderzocht en in
totaal zeven aanbevelingen gedaan om het werken met luikenwagens veiliger te maken.
Vijf van deze zeven aanbevelingen waren gerelateerd aan luiken die uit de haken van de
luikenwagen vallen. Van deze vijf aanbevelingen waren er drie van procedurele aard, de
andere twee hielden technische oplossingen in. De rederij heeft de aanbevelingen van
procedurele aard toegepast en werkprocedures ontwikkeld om veilig met de luikenwagen
te kunnen werken. Echter omdat de twee aanbevelingen die technische maatregelen
vereisten om te voorkomen dat een luik uit de luikenwagen kon vallen, niet werden
toegepast, was het resultaat dat veilig werken op de Arklow Sky afhankelijk werd van
werkprocedures.

De Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft na de lange serie (zeer) ernstige ongevallen
met haar thema-actie Luikenwagens, in het najaar van 2010 de Nederlandse rederijen
aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het nemen van
maatregelen om het veilig werken met luikenwagens te waarborgen. In afwachting van
de resultaten van deze thema-actie heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid besloten het
onderzoek naar het ongeval aan boord van de Arklow Sky te beperken tot een verkort

onderzoek en rapportage.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/955/ongeval-met-luikenwagen-ms-arklow-sky-bilbao-21-september-2010